HET COALITIEAKKOORD

December 24, 2021

HET COALITIEAKKOORD

Dezer dagen verscheen een interessant document, het Coalitieakkoord 2021 – 2025, waarin een aantal uitgewerkte passages opgenomen over een nobel, onomstreden streven naar een sterker hoger- en wetenschappelijk onderwijs. Als meer uitspraken in dit akkoord: wie kan daar nu tegen zijn.

Wat valt mij, als argeloze lezer, op?

Een van de belangrijkste kenmerken van het voorliggende coalitieakkoord, waarvan de doorberekening door het CPB om begrijpelijke redenen ontbreekt, is dat er met geld gesmeten wordt. Onder het mom van “…geen structurele uitgaven…” worden exorbitante bedragen in diverse fondsen ondergebracht die ‘slechts’ tot incidentele lasten leiden. Over het algemeen kijken kabinetten niet verder dan een 4-jarige (her)verkiezingstermijn, het getuigt dan ook van moed (of is gewoon sprake van volksverlakkerij) om een jaarlijkse investering van 3-5 miljard over 10 jaar als incidenteel af te doen. Maar dit terzijde.

Aan het hoger en wetenschappelijk onderwijs worden enkele boeiende passages gewijd, waarbij het afschaffen van de studielening ongetwijfeld de meeste aandacht krijgt. Zoals onlangs al bleek bij de presentatie van het akkoord. De politiek komt weer eens terug op een beslissing die nog niet zo lang geleden door een ruime parlementaire meerderheid werd genomen. Nu dus op naar een geheel nieuwe benadering van de studiefinanciering in 2022/23, een model dat overigens als twee druppels water lijkt op de methodiek van de jaren negentig.

In de strofen die raken aan de financiering van het Wetenschappelijk Onderwijs “…We vergroten de voorspelbaarheid van de bekostiging door het weghalen van de perverse prikkel op hogere instroom, de vaste voet te herzien en te verhogen […]. Zo is er meer ruimte om de werkdruk aan te pakken, vaste contracten te bieden en een evenwichtig aanbod in krimpregio’s te behouden…” is eveneens een klassiek voorbeeld van zwalkend beleid te vinden. De politiek heeft vele jaren sterk ingezet, voor mijn gevoel met buitengewoon veel enthousiasme, op modernisering van de bekostiging van wetenschappelijk onderwijs door het invoeren van een stelsel van prestatiegerichte beloningen.

Velen zeggen, naar goed Amerikaans voorbeeld. Weinig tegen in te brengen, de onderwijsinstellingen – van lagere school tot universiteit – belonen voor de mate waarin zij hun producten (leerlingen met een diploma, academische masters) in de markt weten te zetten. Een simpel, liberaal profijtbeginsel. Deze marktwerking bracht met zich dat universiteiten hun interne organisatie hebben omgevormd o.a. door het aantrekken van vaste marketing- en communicatiemedewerkers om meer studenten te strikken en tijdelijke docenten om de gestegen onderwijsvraag, dé oorzaak van toegenomen werkdruk, het hoofd te bieden. Een aardige mix van vast en tijdelijk. Sinds de Commissie Van Rijn wordt een dergelijk adequaat reageren op vernieuwend overheidsbeleid beschouwd als een perverse prikkel. Het moet nu dus heel anders door te sleutelen aan de zgn. vaste voeten, die gaan omhoog. Hierbij wordt de indruk gewekt dat hierdoor meer WO-middelen beschikbaar komen, kijken we echter kijken naar het OCW-beleid van de laatste decennia dan wordt het ongetwijfeld de bekende sigaar uit eigen doos. Al dan niet in de verpakking van een zgn. efficiencykorting. Het grootste risico in deze is dat instellingen die er begin deze eeuw bewust voor hebben gekozen te gaan voor Hoger Onderwijs voor Velen, helaas ook door het promoten van modieuze (non-)studies als communicatiewetenschappen en politicologie, geconfronteerd zullen worden met een niet-gefinancierde onderwijsvraag, en dus met meer en niet minder werkdruk. Daarenboven is het een vaststaand feit, niet alleen voor insiders, dat de huidige ‘vaste voet’ per instelling in het verre verleden in hoge mate door louter toeval is bepaald.

Er is ook goed nieuws. Bestaande problemen die samenhangen met de ongecontroleerde instroom van buitenlandse studenten, toegegeven universiteiten hebben dat over zichzelf afgeroepen, zijn doorgedrongen tot de burelen van de formateurs. Men kiest gelukkig voor een krachtig reactie: “…als bestaande en nog in te voeren instrumenten [welke?] onvoldoende zijn, dan kijken we of nieuwe instrumenten nodig zijn..”. Een scherpe keuze met oog voor de acute noden van de instellingen, toch…

Reageren? Dat kan: info@penpsupport.nl